MIME-Version: 1.0 Content-Type: multipart/related; boundary="----=_NextPart_01C701DD.449AE2F0" Dit document is een gecombineerd webpaginabestand, ook wel webarchiefbestand genoemd. Als dit bericht wordt weergegeven, worden webarchiefbestanden niet ondersteund door de browser of editor. Download een browser die webarchieven ondersteunt, bijvoorbeeld Microsoft Internet Explorer. ------=_NextPart_01C701DD.449AE2F0 Content-Location: file:///C:/0CE45585/DepressievegevoelensbijkinderenenjeugdigeninNickerie.htm Content-Transfer-Encoding: quoted-printable Content-Type: text/html; charset="us-ascii"
Depressieve
gevoelens bij 10 – 15jarigen in Nickerie
T. Graafsma en R. Mooij
Welzijns instituut Nickerie
1 Inleidin=
g
Wie in de
wetenschappelijke literatuur antwoord wil vinden op de vraag “hoe vaak
zijn kinderen depressief?” vindt niet snel antwoord. Pas een jaar of =
20
wordt er systematisch onderzoek naar die vraag gedaan. Dat komt misschien o=
mdat
onder wetenschappelijk onderzoekers de gedachte dat ook kinderen depressief
kunnen zijn eigenlijk nog betrekkelijk nieuw is. Dat kwam, omdat men er van=
uit
ging dat kinderen er cognitief niet toe in staat zouden zijn. Om die reden =
is
er eigenlijk pas sinds de jaren ’80 onderzoek gedaan naar de mate waa=
rin
depressies bij kinderen voorkomen[1].
Uit dat onderzoek
bleek dat kinderen wel degelijk depressief kunnen zijn (Kazdin, 1989) Evenv=
eel
jongens als meisjes zijn depressief. De verhouding verandert wel: naarmate =
de
leeftijd vordert laten meer meisjes dan jongens depressieve klachten zien
(Fergusson et.al. 1993). Ook de aard van de klachten ligt iets anders: meis=
jes
klagen bijvoorbeeld meer over hun lichaamsbeeld (“ik ben lelijk”=
;)
en over gebrek aan eetlust. Jongens klagen meer over snel geïrriteerd
zijn, verslechterende schoolprestaties en terugtrekking.
In dit onderzoek
wilden we nagaan hoeveel kinderen in Nickerie last hebben van depressieve
gevoelens. We hadden daarvoor twee redenen:
a) De ervaring uit
het WiN-schoolconsultatieteam dat er nogal wat leerlingen waren waarover de
schoolleiding zich zorgen maakte.
b) Het ernstige
suïcidevraagstuk in het district. Suïcidepogingen maken doorgaans
deel uit van een depressief “syndroom”.
Dit onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de Insp= ectie Onderwijs te Nickerie van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling. Het vers= lag is primair voor de Inspectie bestemd.
Dit verslag geeft=
de
eerste, globale resultaten weer. De opbouw is als volgt.
In de paragrafen 2
tot en met 4 worden in hoofdlijnen de achtergronden van depressies beschrev=
en.
Ook vindt men er de verantwoording van de keuze voor de CDI als
onderzoeksinstrument.
Paragraaf 5 gaat =
in
op de kenmerken van de CDI en de toepassing. Ook worden enkele vergelijkende
gegevens vermeld.
In paragraaf 6 wo=
rdt
de onderzoeksprocedure beschreven en in paragraaf 7 staan de resultaten van=
het
onderzoek vermeld.
De eerste en glob=
ale
conclusies uit het onderzoek kan men vinden in paragraaf 8.
2 Wat is e=
en
depressie?
Een depressie is =
een
stoornis in de stemming die langer duurt dan twee weken.
De kernsymptomen
zijn: somberheid, lusteloosheid en interesseverlies[2]. Vaak is er onderhuids=
een
bozige stemming, die zich vaak naar binnen keert, maar vaak ook (in het
algemeen bij jeugdigen en vooral bij jongens) naar buiten: men is snel
ontvlambaar en “geagiteerd”.
Meestal ondersche=
iden
we een “depressie in engere zin” van een “dysthieme
stoornis”[3]. In beide gevallen is sprake van een
depressie, maar de situatie bij een depressie “in engere zin”
(I.E.Z.) is ernstiger omdat het dagelijks functioneren verstoord is geraakt.
Men kan nauwelijks nog werken en leren, de eetlust is zo gering dat er
gewichtsverlies optreedt en er is een verontrustend verlies van interesse i=
n de
omgeving.
Een dysthieme
stoornis wordt wel een “milde depressie” genoemd, omdat het
alledaagse functioneren nog niet zo ernstig is aangetast. Natuurlijk gaat e=
en
dysthieme stoornis gewoonlijk vooraf aan een depressie I.E.Z.. Ze is minder
opvallend en sluipt als het ware geleidelijk binnen. Daardoor wordt ze dus =
ook
door de omgeving minder gemakkelijk opgemerkt.
Vaak wordt een
depressie door de persoon zelf gemaskeerd, toegedekt, omdat het “not
done” is om depressief te zijn. Dat geldt zeker voor jongeren, waar
gevoelens van somberheid al snel worden opgevat als teken van zwakte.
In vele landen (m=
et
name de niet westerse) worden depressieve verschijnselen vooral in lichaams=
taal
verteld. Men heeft allerlei lichamelijke klachten, waarvoor doorgaans geen
goede medische verklaring is te vinden.
3 Hoe vaak=
komen
depressies voor?
In het algemeen w=
ordt
aangenomen dat ongeveer 5% van de bevolking op een bepaald moment depressief
is. De indruk bestaat dat het aantal depressies in absolute zin toeneemt
(Cross-National Collaborative Group, 1992). Dat geldt eigenlijk voor alle
landen. Onderzoek in Nederland wees uit dat met een toenemende zorg voor ou=
dere
mensen (“seniore burgers”) het aantal suïcidepogingen daalt
(Kerkhof, 2004).
Mannen zijn evenv=
eel
depressief als vrouwen, maar de symptomatologie kan enigszins verschillen.<=
span
style=3D'mso-spacerun:yes'> Het aantal depressies neemt toe me=
t de
leeftijd: onder ouderen komen depressies meer voor dan onder jongeren.
Amerikaans onderzoek laat zien dat zwarte Amerikanen minder depressies R=
20;in
engere zin” rapporteren dan de andere etnische groepen), maar dat ze =
wel
vaker een dysthieme stoornis melden (Weissman et. al.,1991).
De prevalentie van
depressies bij kinderen in de leeftijd onder 5 jaar wordt geschat op ongeve=
er
1%. Bij 6 - 11-jarigen wordt de prevalentie geschat op 2 tot 5%, maar daarna
neemt die toe: de cijfers voor jeugdigen (tussen 13 en 18 jaar) schommelen
tussen tussen 3 en 8 %. De verhouding jongens-meisjes is 1:1 bij kinderen en
1:2 bij adolescenten.
Een zeer grootsch=
alig
onderzoek in de Verenigde Staten leidde tot de bevinding dat 10% van alle
jeugdigen min of meer ernstige symptomen van depressie hebben (Rushton
et.al.,2002).
Een ruime schatti=
ng
van het aantal depressies bij jeugdigen aan het begin van de adolescentie (=
zo
rond de 12 jaar) zou tussen ongeveer 8 - 10% kunnen liggen. Aan het eind va=
n de
adolescentie (zo rond de 20 jaar) ligt het aantal aanzienlijk hoger, mogeli=
jk
op 15-20%.
4 Hoe scre=
enen
we kinderen op het voorkomen van een depressie?
Dat depressies bij
kinderen kunnen voorkomen wordt nu wel algemeen erkend, minder eens is men =
het
dus over de mate waarin ze voorkomen. Dat is vooral te wijten aan de
verschillende methoden waarmee depressies worden vastgesteld.
Wij zijn voorstan=
der
van een tweefasen aanpak: een screening op de aanwezigheid van een depressi=
e,
gevolgd door een gestructureerd klinisch onderzoek. Screening kan gebeuren
middels een zelfrapportage-instrument.
De internationaal
meest gebruikte methode om kinderen (tussen 8 en 17) jaar te screenen op
depressiviteit is de CDI, de Children’s Depression Inventory (Kovacs
& Beck,1977; Kovacs,1992).
De CDI wordt door=
het
kind/de jongere zelf ingevuld.
Ook de Child Beha=
vior
Checklist (CBCL) peilt via een onderdeel de aanwezigheid van depressieve
gevoelens. In Nickerie is onlangs door WiN een pilot onderzoek met de CBCL
uitgevoerd, gericht op normering[4].
5 De Children’s Depression Inv=
entory
(CDI)
Algemeen
De Children’=
;s
Depression Inventory is ontwikkeld uit de Beck Depression Inventory (BDI). Dit instrument peilt de
intensiteit van een depressie en geldt als een goede maat voor de screening=
op
het voorkomen van een depressie I.E.Z.
De CDI wordt in h=
et
algemeen beschouwd als een goede aanpassing van de BDI voor kinderen.
De CDI kent vijf
deelgebieden:
Sombere
stemming
Interpersoonlijke
problemen
Negatieve
zelfwaardering
Ineffectiviteit
Lusteloosheid
De Nederlandse
vertaling van de CDI kwam tot stand in overleg met de auteur ervan en volgt=
de
oorspronkelijke lijst nauwkeurig. Daardoor is internationale vergelijking
mogelijk.
We hebben er natu=
urlijk
een voorkeur voor, dat de CDI geen depressie detecteert als daar geen goede
reden voor is (en dus specifiek
werkt), maar wel een depressie detecteert wanneer daar wel een goede reden[5] voor is (en dus sensitief werkt). Onderzoek in Ned=
erland
en België liet zien, dat een goede cut off-score (de grens tussen wel =
en
niet depressie) ligt bij een score van 19. Dan werkt de CDI voldoende speci=
fiek
en voldoende sensitief.
Het feit dat er
internationaal onderzoek wordt gedaan met de CDI vormde een belangrijke red=
en
om te proberen door middel van de CDI een indruk te krijgen van de prevalen=
tie
van depressies bij kinderen in Nickerie.
De CDI is in
Nederland en België vooral gevalideerd voor de groep kinderen tussen 1=
0 en
15 jaar. Om die reden hebben we ook in ons onderzoek dit leeftijdsbereik
aangehouden. Het is wenselijk de CDI verder voor Suriname te valideren. In
afwachting daarvan nemen we voorlopig aan dat de CDI, net zoals elders, een
geschikt screeningsinstrument is ter bepaling van het voorkomen en ter bepa=
ling
van de ernst van depressieve symptomen.
In het algemeen w=
ordt
een score van 19 of hoger aangehouden als cut off-score.
Om die reden hebb=
en
ook wij voor Nickerie een score van 19 of hoger dus opgevat als een ernstige
aanwijzing voor het bestaan van een depressie in de zin zoals door de DSM
omschreven.
Zekerheid
heeft men daarmee nog niet helemaal. Op grond van een screening kan nog niet
definitief besloten worden tot de aan- of afwezigheid van een depressie[6].
Een
van de vragen betrof specifiek de aanwezigheid van suïcidegedachten en=
/of
suïcidewensen (item 9)[7].
De
scores op deze vraag werden, gegeven de specifieke situatie in Nickerie, ap=
art
genoteerd en geteld.
Onderzoek in
België liet zien dat de
gemiddelde totaalscores bij scholieren tussen 8.21 (voor jongens) en 9.34 (=
voor
meisjes) lagen. Jeugdigen die een centrum voor geestelijke gezondheidszorg
bezochten scoorden hoger: jongens scoorden gemiddeld 13.43 en meisjes scoor=
den
15.84.
Onderzoek in Turk=
ije
liet zien dat de gemiddelde totaalscore voor jeugdige scholieren (gemiddelde
leeftijd 14,5 jaar; N=3D4063) lag op 11.02. Een klinische groep (jeugdigen =
die
een suïcidepoging hadden gedaan, leeftijd gemiddeld 15,1 jaar; N=3D80)
scoorde gemiddeld 18.91. De prevalentie van depressies bij jeugdigen wordt =
voor
dat land geschat op 4 tot 8%. Onderzoek met de CDI in Duitsland leidde tot =
de
conclusie dat ongeveer 7% jeugdigen depressief is.
Onderzoek in
Italië leverde vergelijkbare cijfers op. De gemiddelde CDI-score voor
jeugdigen (gemiddelde leeftijd 13.0 jaar, N=3D685) was 10.49. Ongeveer 10%
scoorde 19 of hoger (Poli et. al.,2003).
Het onderzoek werd
uitgevoerd met toestemming van en in samenwerking met het Ministerie van
Onderwijs en Volksontwikkeling, in het bijzonder de Inspectie Onderwijs
Nickerie. De Inspectie verzocht de scholen om medewerking en verspreidden de
vragenlijsten. De scholen maakten een lijst van kinderen, geboren tussen 31
juni 1991 en 1 juli 1995. De
leerkrachten reikten vervolgens de vragenlijsten aan de betreffende kinderen
uit, lieten deze hun leeftijd, school, klas en geslacht invullen en lazen
daarna de instructie voor. De vragen werden alle hardop voorgelezen, waarna=
de
kinderen een keus moesten maken uit een van de drie antwoordmogelijkheden. =
De
leerkrachten verzamelden daarna de ingevulde lijsten. Deze werden tenslotte
door de Inspectie opgehaald. Aan het onderzoek hebben alle scholen in het
district deelgenomen die 10-15 jarigen binnen hun gebouw hadden. In totaal
waren dat 32 scholen.
Het onderzoek hee=
ft
feitelijk plaats gevonden in juni 2005.
7 Het onde=
rzoek
in Nickerie: de resultaten
Het aantal leerli=
ngen
waarvan een CDI werd ontvangen was 2427. Daarvan waren 103 formulieren
onbruikbaar vanwege invullingfouten.
Uiteindelijk werd=
en
2324 vragenlijsten verwerkt.
|
Totaal
aantal uitgereikte vragenlijsten |
Aantal
verwerkte vragenlijsten |
Totaal
aantal meisjes |
Aantal
geldige vragenlijsten van meisjes |
Totaal
aantal jongens |
Aantal
geldige vragenlijsten van jongens |
|
2427 |
2324 |
1190 |
1138 |
1237 |
1186 |
Volgens de census=
van
2005 woonden in het district Nickerie 3400 jeugdigen tussen 10 en 15 jaar[8].
Dit betekent dat =
68% van de jeugdigen in deze
leeftijdsgroep heeft deelgenomen
aan het onderzoek. Van hen is 51% van het manlijke en 49% van het
vrouwelijke geslacht.
|
Scores
absoluut |
Percentage |
Scores
meisjes absoluut |
Percentage |
Scores
jongens absoluut |
Percentage |
|
398 |
17,1% |
198 |
17,5% |
200 |
16,8% |
Uit tabel 2 blijkt
dat voor ruim 17% van de jeugdigen tussen 10 en 15 jaar vermoed kan worden =
dat
ze last hebben van een depressie. Het verschil tussen meisjes en jongens is
niet significant.
|
Scores
absoluut |
Percentage |
Score
meisjes absoluut |
Percentage |
Score
jongens absoluut |
Percentage |
|
212 |
9,1% |
93 |
7,8% |
119 |
9,6% |
Voor ruim 9% geldt
dat ze uiting geven aan de wens een
eind aan hun leven te willen maken. Verrassend is dat deze 9% lang niet alt=
ijd
onderdeel uit maakt van de groep voor wie een ernstige aanwijzing bestaat v=
an
een depressie.
Tabel
4 Aantal jeugdigen dat scoort
binnen de klinische range (N =3D 398) en dat ook aangeeft een einde aan het=
leven
te willen maken
|
Scores
absoluut |
Percentage |
Score
meisjes absoluut |
Percentage |
Score
jongens absoluut |
Percentage |
|
77 |
19,3% |
34 |
17% |
43 |
21,5% |
Een vijfde deel v=
an
de groep depressieve jeugdigen meldt tevens suïcidewensen.
De overlap tussen=
depressieve
klachten en suïcidewensen is dus betrekkelijk gering. Voor ongeveer vier/vijfde deel van de jeugdigen met suïcidewen=
sen
geldt, dat men deze niet kan afleiden uit een depressieve gemoedstoestand. =
Gemiddelde
totaalscores moeten nog worden bepaald, evenals de subscores.
Aan het onderzoek
heeft 68% van de jeugdigen in de leeftijd 10 tot 15 jaar mee gedaan. Dat wa=
ren
2324 jongens en meisjes.
Van ruim 1000
jeugdigen in deze leeftijdscategorie hebben we geen gegevens. Ze gaan niet =
meer
naar school. Over hun gemoedstoestand kunnen we dus geen uitspraken doen. E=
r is
geen reden om aan te nemen dat de cijfers bij deze groep gunstiger liggen.
Integendeel, men mag aannemen dat ze eerder slechter uitvallen. Onze rappor=
tage
zal dus eerder een onder- dan een overschatting zijn.
De nu beschikbare
gegevens leiden tot de volgende conclusies.
1)
Uit het onderzoek
blijkt dat het aantal jeugdigen tussen 10 en 15 jaar, voor wie men ernstig
bedacht moet zijn op de aanwezigheid van een depressie op ruim 17 % ligt. D=
at
is naar internationale maatstaven hoog.
De prevalentie van depressies in Nickerie onder jeu= gdigen tussen 10 en 15 jaar wordt dus geschat op 17%.
2)
Het aantal jeu=
gdigen
dat daadwerkelijk een eind aan het eigen leven wil maken is eveneens
zorgwekkend hoog (zie ook voetnoot 7). 9%
Van de jeugdigen denkt daar ernstig over.
3)
Het aantal jeugdi=
gen
waarbij een depressie vermoed moet worden en dat tevens suïcidale wensen uit i=
s 77.
Dat is 3,3% van het totaal aantal jeugdigen dat deel nam aan het onderzoek.=
20% van het aantal jeugdigen dat
vermoedelijk depressief is, is tevens suïcidaal.
4)
Bij 80% van de suïcidale jeugdigen (in dit onderzoek
waren dat 135 jeugdigen) is met de CDI geen vermoeden van depressie te
constateren.
Dit resultaat hee=
ft
praktisch mogelijk grote gevolgen. Het maakt de opsporing van suïcidale
jeugdigen in het alledaagse leven lastig. Men kan immers niet af gaan op de
voor de omgeving over het algemeen goed zichtbare en gebruikelijke kenmerken
van een depressie.
Mogelijk behoren
suïcidale wensen op deze leeftijd niet altijd bij een depressie.
Er
is geen onderscheid gemaakt naar etniciteit. We kunnen dus niet vaststellen=
of
jeugdigen van verschillende etnische achtergrond opvallend verschillend sco=
ren.
Dit
onderzoek was strikt anoniem. Het is daarom niet mogelijk precies die jeugd=
igen
te detecteren die aangaven daadwerkelijk een einde aan hun leven te willen
maken. Toch moet men dus ernstig bezorgd zijn: ruim 200 jeugdigen denken da=
ar
serieus over.
Op grond van dit
onderzoek verdient het aanbeveling om aanzienlijke aandacht te schenken aan
“zorgleerlingen”. Ook kan men denken aan een regelmatig terugke=
rend
screeningsonderzoek, bijvoorbeeld tweemaal jaarlijks, om risico-jeugdigen o=
p te
sporen.
5)
Vrijwel evenveel jongens als meisjes zijn vermoedelijk
depressief.
Jongens geven iets
meer dan meisjes aan dat ze een einde aan hun leven willen maken, maar het
verschil is niet significant.
De in Nickerie
gevonden resultaten passen bij de algemene tendens dat jongens zich ook in =
de
suïcidesfeer in het algemeen iets harder uitdrukken dan meisjes.
6)
Het blijkt heel goed mogelijk op betrekkelijk korte term=
ijn
een grootschalig screeningsonderzoek te verrichten.
De resultaten
verkregen in dit onderzoek kunnen worden gebruikt in een vergelijkend onder=
zoek
met jeugdigen uit andere districten.
De
CDI screent op de prevalentie van depressies, maar is niet uitsluitend bepa=
lend
daarvoor. Gegeven de ernst van de uitslagen verdient het aanbeveling het
onderzoek in een wat kleinere opzet in twee fasen te herhalen: de
screeningsfase zou moeten worden gevolgd door een standaard klinisch interv=
iew.
Op
grond van beide metingen kan dan een diagnose worden gesteld, terwijl men o=
ok
een check verwerft op mogelijke “false positive” resultaten.
10 Dankwoo=
rd
Dit onderzoek kon
worden uitgevoerd dankzij de medewerking van de Inspectie Onderwijs te
Nickerie. WiN dankt de Inspectie ook voor de logistieke ondersteuning. WiN
dankt ook Marlon Kraaij, orthopedagoge i.o., aan de Vrije Universiteit in
Amsterdam die veel van het voorbereidende werk op zich heeft genomen.
AACAP, Amer=
ican
APA, =
American
Psychiatric Association (2000). Diagnostic and statistical manual of mental
disorders (DSM-IV-TR).
Cross-Natio=
nal
Collaborative group (1992). The changing rate of major depression: cross-national
comparisons. J. Amer. Medical Assoc=
iation,
268, 3098-3105.
Fergusson,
D.M., Horwood, L.J. & Lynskey, M.T. (1993). Prevalence and comorbidity =
of
DSM-III-R disorders in a birth cohort of 15 years old. J. Amer. Acad. Child and Adolescent
Psychiatry, 32, 1127-1134.
Fristad, M.=
A.,
Emery, B.L. & Beck, S.J. (1997). Use and abuse of the Children’s
Depression Inventory. J. Consulting=
&
Clinical Psychology, 65(4), 699-702.
Kazdin, A.E.
(1989). Childhood depression. In E.J. Mash & R.A. Barkley (Eds.), Treatment of childhood disorders (=
pp.
135-166).
Kerkhof,
A.J.F.M.(2004). Suïcide in
Kovacs, M. (1992). Children’s Depression Inventory.
Kleinepier, C. (2005).
Kovacs, M. & Beck, A.T. (1977). An empirical clinical approach toward definition of
childhood depression. In J.B. Schulterbrandt (Ed.), Depression in childhood: Diagnosis, treatment, and conceptual models (pp. 1-25).
Poli, P.,
Sbrana, B., Marcheschi, M & Masi, G. (2003). Self reported depressive
symptoms in a school sample of Italian children and adolescents. Child Psychiatry and Human Development, 33, 209-226.
Rushton, J.=
L.,
Forcier, M. & Schectman, R.M. (2002). Epidemiology of depressive sympto=
ms
in the National Longitudinal Study of Adolescent Health. J. Amer. Child and Adol=
escent
Psychiatry, 41 (2), 199-205.
Weismann, M=
.M.
et.al. (1991).Affective disorders. In L.N. Robins & D.A. Regier (Eds.).=
Psychiatric disorders in
copyright:
WiN, Nieuw Nickerie, 2005. All rechten voorbehouden.
[1] Ook wel prevalentie-on= derzoek genoemd.
[2] Deze kernsymptomen wor= den vrijwel algemeen gedeeld. Het zijn dus ook de kernsymptomen van een “Major Depressive Disorder, AACAP, 1998). Zie ook DSM-IV, APA, 1994.<= /p>
[3] Dysthiem betekent letterlijk: “in een slechte stemming”.
[4] Het onderzoek is verri= cht door Christa Kleinepier, kinder- en jeugdpsychologe i.o. met begeleiding van dr. David Gibson en pr= of. dr. Hans Koot. Zie Kleinepier, C. (2005): Emotional and behavioral problems in = the Nickerie district of Suriname, as measured by the CBCL and compared to The Netherlands and Curacao. Amsterdam: Vrije Universiteit.
[5] “Een goede reden” betekent in dit geval dat er ook in de zin van de DSM een classificatie “depressie” zou worden gegeven.
[6] Men moet dus voorzicht= ig om gaan met de resultaten op de CDI. De CDI op zichzelf is geen volledige assessment procedure, maar een fase daarin. Ze leidt tot een “ernstige verdenking”, maar nog niet tot zekerheid (zie ook Fristad et.al., 199= 7).
[7] Item 9 heeft drie antwoordmogelijkheden:
a)&n= bsp; ik denk er niet over een eind aan mijn leven te mak= en
b)&n= bsp; ik denk er wel over een eind aan mijn leven te make= n, maar ik zou het nooit doen
c)&n= bsp; ik wil een eind aan mijn leven maken.
[8] Bron: Algemeen Bureau = voor de Statistiek Suriname 2005